De Russen

D

De Russen hadden een bloedhekel aan iedereen in het Westen, maar aan christenen in het bijzonder, wist mijn moeder. En daarbij ging het ze natuurlijk niet in de eerste plaats om de Dorpskerk, daar moesten ze vooral om lachen, waarna ze er evengoed een paar handgranaten naar binnen zouden gooien. Nee, het ging de Russen in de allereerste plaats om de Gereformeerde Bond.

De bezetting van West-Europa had als voornaamste doel de Gereformeerde Bond onschadelijk te maken. Want de Russen wisten ook wel wie de enig ware God was: die van de Gereformeerde Bond. Maar dat leidde er niet toe dat ze zich bekeerden. Nee, ondanks die kennis ‘verhardden hun harten zich,’ zoals dominee De Bie dat noemde. In plaats van zich aan te sluiten, gingen ze er met volle kracht tegen in.

Waar dacht je dat ze anders al die honderden ss-20-kernraketten voor hadden opgesteld? Daar konden ze West-Europa wel tien keer mee vernietigen. Ze hadden er zoveel omdat ze bij Gereformeerde Bondsgemeenten geen enkel risico wilden nemen, die moesten echt helemaal plat. Het verhaal deed de ronde dat die ss-20’s niet primair op Parijs of Londen waren gericht, maar op Staphorst, Tholen, Harderwijk, en, ja echt, op onze Maranathakerk.

Uit: Altijd zondag – Kees Versluis
Uitgeverij Meulenhoff

Dolering

D

De Doleantie was gekomen; en zij was gekomen met storm en onweer in Oostloorn. Dat was iets zeer vreemds geweest. Het was eigenlijk niets voor die soort lieden geweest in die achterhoek van Overijsel, bij de Vecht, om zich tot een storm te laten opwinden. Naar hun aard had de Doleantie er een zeer kalm verloop moeten hebben. Maar zoo was het niet gegaan. Later was het dan ook een oorzaak van lange schaamte geweest, van weerszijden, bij de Hervormden en bij de Dolerenden.
Zij konden er nimmer goed overheen, dat zij zich hadden laten meeslepen een tijd lang door hartstocht, zij, die zoo wellevend altijd hun hartstochten tegenover elkander wisten in toom te houden.

Toen de storm over was, en de Dolerende Kerk er voor goed was gevestigd, konden de mensen van beide kanten elkander in den eersten tijd nog niet goed aanzien ; en dat was niet de vijandschap meer, maar dat was de schaamte; de vijandschap was al lang goed aan het overwaaien; maar de schaamte, die bleef veel langer. Geen van de beide partijen had schaamte over de daad, die zij beide begaan hadden, of over het beginsel, waar zij beide hardnekkig aan hadden vastgehouden; maar over dit schaamden zij zich, dat zij zich uit den wellevenden plooi hadden laten brengen in die dagen, en dat de zachtmoedige aard, die een erfstuk was onder de lieden van Oostloom, voor een tijd was weg geweest, en dat hun gemeente in die dagen volmaakt had geleken op andere gemeenten in Holland, die een andere opvatting van beschaving hadden dan zij.

Maar zó was de Doleantie gekomen: Dominee Senserff was er mede begonnen. Hij stond toen vier jaren in de gemeente. Hij was de opvolger geworden van den ouden dominee, die dood was. Het Synodale juk was hem te fel beginnen te knellen, en aan de ouderlingen en diakenen had hij het langzamerhand alles duidelijk gemaakt. En op de zondag vóór Oudjaar had hij van de kansel bekend gemaakt, dat hij en zijn kerkenraad in naam van de ganse gemeente zich hadden losgemaakt van dat Synodale juk, en dat zij met de ganse gemeente zich van dit ogenblik af weer plaatsten onder de kerkelijke organisatie van het jaar 1619.

Uit: Oostloorn – Siebold Ulfers

Huize Ilex

H

In april 2025 werd geadverteerd dat de woning op het adres Stationsstraat 17 in Hardenberg te koop stond. Vraagprijs: 750.000 euro. Deze woning, Huize Ilex genaamd, heeft een bijzondere geschiedenis.

Hij is gebouwd in de tuin van Saartje Cantor, de weduwe van de Joodse koopman David Meijer Bromet, bijgenaamd ‘de lappiesjeude’. Eigenlijk was het haar tuin niet meer, want na haar overlijden werd het stuk grond eigendom van haar zeven kinderen.
Bij een boedelscheiding in 1929 kwam het perceel in handen van zoon Marcus. Samen met zijn vrouw Rijntje van den Berg liet hij met toestemming van de gemeente Stad Hardenberg er een woning bouwen, naar een ontwerp van de Almelose architect Coenraad Stuldreher.

Een paar jaar later kreeg Marcus toestemming voor de bouw van een schuurtje en vlak voor de Tweede Wereldoorlog verleende de gemeente hem toestemming voor de bouw van een prieel en een kippenhok. Tijdens de eerste jaren van de oorlog woonden niet alleen Rijntje en Marcus in het huis, maar ook zijn broers Meijer, Asser en Philip. Toen de Joodse Nederlanders zich moesten melden in Westerbork, werd Rijntje naar een onderduikadres in Gramsbergen gebracht, Meijer, Asser en Philip deden wat de Duitsers hadden bevolen maar Marcus verstopte zich in zijn eigen huis. Hij werd echter verraden en opgepakt door de marechaussee.

In 1943 werd de woning gekocht door garagehouder en NSB’er Derk ten Cate. Hij kocht het pand voor 6.200 gulden van de ANBO, het Algemeen Nederlands Beheer Onroerende Goederen, dat geleid werd door NSB’ers. Hij heeft er niet lang plezier van gehad, want in 1946 moest hij de woning, in het kader van rechtsherstel, weer afstaan aan de erfgenamen Bromet.
Die erfgenamen waren weduwe Rijntje Bromet-van den Berg en de zoons David en Nathan. In de tussenliggende jaren had Ten Cate de woning verhuurd aan marechaussee Jan den Toom.

Nadat moeder en zonen Bromet weer eigenaar waren geworden, is de woning onder meer verhuurd aan Eeltje Dijkstra, onderwijzer aan de openbare lagere school, en de hervormde dominee/dichter Willem Barnard. In 1950 werd de woning verkocht aan de hervormde gemeente Hardenberg, om dienst te doen als pastorie voor achtereenvolgens dominee Visser, dominee Van der Beek, dominee Oosthoek en dominee Roosa. In 1991 werd de pastorie verkocht aan waterschapmedewerker J.M. Borger. Het lijkt erop dat in december 2025 een nieuwe eigenaar is gevonden.

De molen van Brucht

D

Wie de molen van Brucht wil zien, moet niet naar Brucht rijden maar naar Ameland. In Hollum staat ‘een tweedehandsje’, zoals de plaatselijke VVV dat zelf zegt, die afkomstig is uit Brucht.

‘De Verwachting’, heet hij tegenwoordig. Het is een achtkantige windmolen die maalvaardig is en regelmatig wordt gebruikt om koren en mosterd te maken. Eigenaar is de gemeente Ameland, die er ook maar meteen een gemeentelijk monument van heeft gemaakt.
Maar hoe komt nou de molen van Brucht via allerlei omzwervingen in Hollum terecht?

De beltkorenmolen van Brucht werd in 1877 gebouwd op het Koeveen (Haarweg) door Hendrik Jan ten Brinke. Ook nakomelingen van hem werkten als molenaar op de korenmolen. Tot 1925 werd er met de wind gemalen, maar vanaf dat jaar werd een motor gebruikt. Toen in 1932 door een sterke wind een molenwiek afknapte was molenaar Gerrit Jan ten Brinke van plan de overgebleven wieken te verwijderen “zoodat er allicht weer een molen verdwijnen zal, althans worden ontsierd”, schreef de journalist van de Provinciale Overijsselsche en Zwolsche courant.

De molen bleef als machinale maalderij in gebruik tot 1945. Vanaf dat jaar raakte de molen in verval. In 1973 kocht rietdekker/molenbouwer Kleinjan uit Den Ham de molen voor verplaatsing naar Den Ham. Hij kreeg echter geen bouwvergunning zodat de molen verdween in de opslag. Tot 1988, toen de ‘Vrienden van de Hollumer molen’ de restanten kochten om dienst te doen als opvolger van de Hollumer molen ‘De Verwachting’, die in 1949 was gesloopt. Om verzekerd te zijn van een goede windvang werd niet gekozen voor de oorspronkelijke vorm, een grondzeiler, maar voor een hoge stellingmolen.
De wederopbouw duurde enkele jaren, maar in november 1994 kon de molen eindelijk officieel in gebruik worden gesteld. Dat gebeurde tijdens een feestelijke plechtigheid door Loek Hermans, commissaris van de koningin in Friesland.

Lawaaisaus

L

In het Sociaal weekblad (1 januari 1890) staat het volgende te lezen:
“Wat eet de werkman? hoe voedt, hoe kleedt hij zich? hoe woont en slaapt hij? Wat hij eet, kan ik u zeggen: slechte aardappelen met zogenaamde lawaaisaus, meel met water en wat azijn.”

Er was zelfs een recept van lawaaisaus: het was een saus die gemaakt werd op basis van het kooknat van aardappelen. Omdat dit kooknat niet erg smaakvol is, werd aanbevolen er voor smaak en kleur mosterd en azijn aan toe te voegen. En als je zelfs dat niet kon betalen dan kon je nog kiezen: mosterd óf azijn. Had je iets meer te besteden dan kon je er ook nog wat meel bijdoen.

Over de herkomst van de naam bestaat geen eenduidige uitleg.
“Het doet alsof het wat voorstelt, maar het is geen echte saus.”
Maar het volgende kan ook een verklaring zijn, vooral als er als smaakmaker wat ui bij wordt gebakken:
“De term is wellicht ontstaan door de darmwerking na de maaltijd. Uiensaus of siepelsaus is het dan eigenlijk. Gebakken uien veroorzaken vaak veel winderigheid. En dat levert ‘lawaai’ op.”

Op de website spinazieacademie.nl staat een andere uitleg:
“Vleesloze jus heette lawaaisaus. Het had niets om het lijf, maar het bruiste enorm in de pan. Hoe maakte je lawaaisaus? Je smolt een klontje margarine in de pan en liet dat bruinworden. Dan roerde je er een lepel bloem doorheen, zorgde dat dit wel bruin werd en gaar, maar niet ging klonteren. Daarna goot je er een plens koud water bij. Dat bruiste enorm, vandaar het woord ‘lawaaisaus’. Weer heel goed roeren en dan had je ‘jus’.”

Recente berichten