Afscheid en huldiging

A

Tjonge, wat een veren kreeg hij op z’n hoed. En allemaal verdiend.
Hermannus Brinkman uit Bergentheim was 50 jaar onbezoldigd veldwachter geweest en nu vond hij het genoeg. Eigenlijk was hij landbouwer van beroep, maar hij was ook jachtopziener, in dienst van de heren van de Veenderij Van Royen. Die ‘heren’ hielden nogal van de jacht maar er werd in hun ogen zoveel gestroopt, dat ze behoefte hadden aan een jachtopziener. En die werd dan meteen onbezoldigd rijksveldwachter.

Normaal stopte je pas met die baan als je kwam te overlijden, maar Brinkman was niet meer zo goed ter been en had daarom een brief gestuurd naar de Minister van Justitie met het verzoek, hem eervol te ontslaan. Het positieve antwoord op die brief werd 9 mei 1938 persoonlijk bij Brinkman thuis afgeleverd door majoor Eleman, brigadecommandant van de rijksveldwacht in Ommen. Toen die bij de woning van Brinkman kwam, zat het huis vol met genodigden. Veldwachter Pieter van Engelenhoven had een heel leger gasten opgetrommeld: jachtheren van weleer, zoals Isaac van Royen, de vroegere burgemeester van Zwolle. Verder de oud-burgemeester van Zwollekerspel Peter Dorhout Mees, jonkheer Adriaan Stoop uit Ommen en acht veldwachters of voormalige veldwachters waar Brinkman mee had samengewerkt.

Mooie woorden voor Brinkman en zijn echtgenote, waarbij de woorden van Stoop nogal opmerkelijk waren: Brinkman had er als jachtopziener namelijk een keer voor gezorgd dat de jachtheren in twee dagen 120 hazen hadden kunnen schieten. Als dank voor zijn werk kreeg Brinkman een envelop met inhoud. Maar er was meer: zijn vrouw kreeg een grote bloemenmand en hijzelf een wandelstok met zilveren handvat. Daarin stond gegraveerd: “Ter herinnering aan de goede samenwerking met de Rijksveldwachters 1888-1938.”

Hierna werd het nog drukker in de woning van Brinkman, want ook de hervormde dominee Bouman uit Hardenberg kwam langs, net als de Hardenberger huisarts Fraser. Waarna, volgens de journalist van weekblad De Vechtstreek, nog volop sterke verhalen werden verteld over stropen met lichtbakken en met strikken, en hoe die stropers te pakken waren genomen.

Hermannus Brinkman heeft nog bijna 11 jaar van zijn ‘pensioen’ kunnen genieten. Hij is in 1949 op 91-jarige leeftijd overleden en is begraven op kerkhof Nijenstede aan de Stationsstraat in Hardenberg.

OpKoers.toen

O

Waarschuwing voor Doen’22:
2014 – 3 zetels
2018 – 5 zetels
2022 – 7 zetels
2026 – 2 zetels

De mier en de eekhoorn

D

Op een dag nam de mier afscheid van de eekhoorn.
‘Ik ga voor geruime tijd op reis’, zei hij, ‘maar ik weet niet voor hoe lang.
Ik neem dus maar zo afscheid dat het ook voor heel lang kan zijn.’ Zij schudden elkaar vijf keer de hand en omhelsden elkaar ook zoals het bij een afscheid voor lange tijd hoort.
‘Laat je nog iets van je horen?’ vroeg de eekhoorn.
De mier had zich al omgedraaid en riep terwijl hij langs het bospad lied: ‘ja!’
Even later was hij uit het gezicht verdwenen en bleef de eekhoorn alleen achter. Wat zou het voor reis zijn?, dacht hij. Maar hij wist hoe weinig je kon zeggen van reizen die nog moesten beginnen.
Niet lang daarna ontving de eekhoorn een brief.

Beste eekhoorn,
Ik ben nu volledig op reis.
Ik heb je beloofd dat ik iets van mij zou laten horen.
Als je straks een uitroepteken leest,
laat ik iets van mij horen.
Lees je goed? Let op!

Op dat moment klonk er een zacht gefluit dat onmiskenbaar het gefluit van de mier was.
‘Mier!’ riep de eekhoorn opgetogen.
Hij draaide de brief om en om, keek tussen alle letters en toen in de envelop en op de grond, maar er was geen spoor van de mier te bekennen. Hij begon opnieuw te lezen en weer hoorde hij, toen hij het uitroepteken las, hetzelfde zachte gefluit. Als hij lang naar het uitroepteken keek kon hij zelfs een liedje herkennen dat de mier dikwijls floot.

Hij deed de brief in de envelop en legde hem op de tafel naast zijn bed.
Hij moet heel ver weg zijn, dacht de eekhoorn. Maar hij denkt aan mij!
De zon scheen en de eekhoorn ging op de tak voor zijn deur zitten. Maar telkens stond hij op en ging hij naar binnen om de brief opnieuw te lezen, en telkens als hij bij het uitroepteken kwam hoorde hij weer het zachte fluiten van de mier die van ver weg iets van zich liet horen.
En telkens schudde de eekhoorn zijn hoofd, glinsterden zijn ogen en dacht hij: mier, mier!

Toon Tellegen

De Russen

D

De Russen hadden een bloedhekel aan iedereen in het Westen, maar aan christenen in het bijzonder, wist mijn moeder. En daarbij ging het ze natuurlijk niet in de eerste plaats om de Dorpskerk, daar moesten ze vooral om lachen, waarna ze er evengoed een paar handgranaten naar binnen zouden gooien. Nee, het ging de Russen in de allereerste plaats om de Gereformeerde Bond.

De bezetting van West-Europa had als voornaamste doel de Gereformeerde Bond onschadelijk te maken. Want de Russen wisten ook wel wie de enig ware God was: die van de Gereformeerde Bond. Maar dat leidde er niet toe dat ze zich bekeerden. Nee, ondanks die kennis ‘verhardden hun harten zich,’ zoals dominee De Bie dat noemde. In plaats van zich aan te sluiten, gingen ze er met volle kracht tegen in.

Waar dacht je dat ze anders al die honderden ss-20-kernraketten voor hadden opgesteld? Daar konden ze West-Europa wel tien keer mee vernietigen. Ze hadden er zoveel omdat ze bij Gereformeerde Bondsgemeenten geen enkel risico wilden nemen, die moesten echt helemaal plat. Het verhaal deed de ronde dat die ss-20’s niet primair op Parijs of Londen waren gericht, maar op Staphorst, Tholen, Harderwijk, en, ja echt, op onze Maranathakerk.

Uit: Altijd zondag – Kees Versluis
Uitgeverij Meulenhoff

Dolering

D

De Doleantie was gekomen; en zij was gekomen met storm en onweer in Oostloorn. Dat was iets zeer vreemds geweest. Het was eigenlijk niets voor die soort lieden geweest in die achterhoek van Overijsel, bij de Vecht, om zich tot een storm te laten opwinden. Naar hun aard had de Doleantie er een zeer kalm verloop moeten hebben. Maar zoo was het niet gegaan. Later was het dan ook een oorzaak van lange schaamte geweest, van weerszijden, bij de Hervormden en bij de Dolerenden.
Zij konden er nimmer goed overheen, dat zij zich hadden laten meeslepen een tijd lang door hartstocht, zij, die zoo wellevend altijd hun hartstochten tegenover elkander wisten in toom te houden.

Toen de storm over was, en de Dolerende Kerk er voor goed was gevestigd, konden de mensen van beide kanten elkander in den eersten tijd nog niet goed aanzien ; en dat was niet de vijandschap meer, maar dat was de schaamte; de vijandschap was al lang goed aan het overwaaien; maar de schaamte, die bleef veel langer. Geen van de beide partijen had schaamte over de daad, die zij beide begaan hadden, of over het beginsel, waar zij beide hardnekkig aan hadden vastgehouden; maar over dit schaamden zij zich, dat zij zich uit den wellevenden plooi hadden laten brengen in die dagen, en dat de zachtmoedige aard, die een erfstuk was onder de lieden van Oostloom, voor een tijd was weg geweest, en dat hun gemeente in die dagen volmaakt had geleken op andere gemeenten in Holland, die een andere opvatting van beschaving hadden dan zij.

Maar zó was de Doleantie gekomen: Dominee Senserff was er mede begonnen. Hij stond toen vier jaren in de gemeente. Hij was de opvolger geworden van den ouden dominee, die dood was. Het Synodale juk was hem te fel beginnen te knellen, en aan de ouderlingen en diakenen had hij het langzamerhand alles duidelijk gemaakt. En op de zondag vóór Oudjaar had hij van de kansel bekend gemaakt, dat hij en zijn kerkenraad in naam van de ganse gemeente zich hadden losgemaakt van dat Synodale juk, en dat zij met de ganse gemeente zich van dit ogenblik af weer plaatsten onder de kerkelijke organisatie van het jaar 1619.

Uit: Oostloorn – Siebold Ulfers

Recente berichten