Huize Ilex

H

In april 2025 werd geadverteerd dat de woning op het adres Stationsstraat 17 in Hardenberg te koop stond. Vraagprijs: 750.000 euro. Deze woning, Huize Ilex genaamd, heeft een bijzondere geschiedenis.

Hij is gebouwd in de tuin van Saartje Cantor, de weduwe van de Joodse koopman David Meijer Bromet, bijgenaamd ‘de lappiesjeude’. Eigenlijk was het haar tuin niet meer, want na haar overlijden werd het stuk grond eigendom van haar zeven kinderen.
Bij een boedelscheiding in 1929 kwam het perceel in handen van zoon Marcus. Samen met zijn vrouw Rijntje van den Berg liet hij met toestemming van de gemeente Stad Hardenberg er een woning bouwen, naar een ontwerp van de Almelose architect Coenraad Stuldreher.

Een paar jaar later kreeg Marcus toestemming voor de bouw van een schuurtje en vlak voor de Tweede Wereldoorlog verleende de gemeente hem toestemming voor de bouw van een prieel en een kippenhok. Tijdens de eerste jaren van de oorlog woonden niet alleen Rijntje en Marcus in het huis, maar ook zijn broers Meijer, Asser en Philip. Toen de Joodse Nederlanders zich moesten melden in Westerbork, werd Rijntje naar een onderduikadres in Gramsbergen gebracht, Meijer, Asser en Philip deden wat de Duitsers hadden bevolen maar Marcus verstopte zich in zijn eigen huis. Hij werd echter verraden en opgepakt door de marechaussee.

In 1943 werd de woning gekocht door garagehouder en NSB’er Derk ten Cate. Hij kocht het pand voor 6.200 gulden van de ANBO, het Algemeen Nederlands Beheer Onroerende Goederen, dat geleid werd door NSB’ers. Hij heeft er niet lang plezier van gehad, want in 1946 moest hij de woning, in het kader van rechtsherstel, weer afstaan aan de erfgenamen Bromet.
Die erfgenamen waren weduwe Rijntje Bromet-van den Berg en de zoons David en Nathan. In de tussenliggende jaren had Ten Cate de woning verhuurd aan marechaussee Jan den Toom.

Nadat moeder en zonen Bromet weer eigenaar waren geworden, is de woning onder meer verhuurd aan Eeltje Dijkstra, onderwijzer aan de openbare lagere school, en de hervormde dominee/dichter Willem Barnard. In 1950 werd de woning verkocht aan de hervormde gemeente Hardenberg, om dienst te doen als pastorie voor achtereenvolgens dominee Visser, dominee Van der Beek, dominee Oosthoek en dominee Roosa. In 1991 werd de pastorie verkocht aan waterschapmedewerker J.M. Borger. Het lijkt erop dat in december 2025 een nieuwe eigenaar is gevonden.

De molen van Brucht

D

Wie de molen van Brucht wil zien, moet niet naar Brucht rijden maar naar Ameland. In Hollum staat ‘een tweedehandsje’, zoals de plaatselijke VVV dat zelf zegt, die afkomstig is uit Brucht.

‘De Verwachting’, heet hij tegenwoordig. Het is een achtkantige windmolen die maalvaardig is en regelmatig wordt gebruikt om koren en mosterd te maken. Eigenaar is de gemeente Ameland, die er ook maar meteen een gemeentelijk monument van heeft gemaakt.
Maar hoe komt nou de molen van Brucht via allerlei omzwervingen in Hollum terecht?

De beltkorenmolen van Brucht werd in 1877 gebouwd op het Koeveen (Haarweg) door Hendrik Jan ten Brinke. Ook nakomelingen van hem werkten als molenaar op de korenmolen. Tot 1925 werd er met de wind gemalen, maar vanaf dat jaar werd een motor gebruikt. Toen in 1932 door een sterke wind een molenwiek afknapte was molenaar Gerrit Jan ten Brinke van plan de overgebleven wieken te verwijderen “zoodat er allicht weer een molen verdwijnen zal, althans worden ontsierd”, schreef de journalist van de Provinciale Overijsselsche en Zwolsche courant.

De molen bleef als machinale maalderij in gebruik tot 1945. Vanaf dat jaar raakte de molen in verval. In 1973 kocht rietdekker/molenbouwer Kleinjan uit Den Ham de molen voor verplaatsing naar Den Ham. Hij kreeg echter geen bouwvergunning zodat de molen verdween in de opslag. Tot 1988, toen de ‘Vrienden van de Hollumer molen’ de restanten kochten om dienst te doen als opvolger van de Hollumer molen ‘De Verwachting’, die in 1949 was gesloopt. Om verzekerd te zijn van een goede windvang werd niet gekozen voor de oorspronkelijke vorm, een grondzeiler, maar voor een hoge stellingmolen.
De wederopbouw duurde enkele jaren, maar in november 1994 kon de molen eindelijk officieel in gebruik worden gesteld. Dat gebeurde tijdens een feestelijke plechtigheid door Loek Hermans, commissaris van de koningin in Friesland.

Lawaaisaus

L

In het Sociaal weekblad (1 januari 1890) staat het volgende te lezen:
“Wat eet de werkman? hoe voedt, hoe kleedt hij zich? hoe woont en slaapt hij? Wat hij eet, kan ik u zeggen: slechte aardappelen met zogenaamde lawaaisaus, meel met water en wat azijn.”

Er was zelfs een recept van lawaaisaus: het was een saus die gemaakt werd op basis van het kooknat van aardappelen. Omdat dit kooknat niet erg smaakvol is, werd aanbevolen er voor smaak en kleur mosterd en azijn aan toe te voegen. En als je zelfs dat niet kon betalen dan kon je nog kiezen: mosterd óf azijn. Had je iets meer te besteden dan kon je er ook nog wat meel bijdoen.

Over de herkomst van de naam bestaat geen eenduidige uitleg.
“Het doet alsof het wat voorstelt, maar het is geen echte saus.”
Maar het volgende kan ook een verklaring zijn, vooral als er als smaakmaker wat ui bij wordt gebakken:
“De term is wellicht ontstaan door de darmwerking na de maaltijd. Uiensaus of siepelsaus is het dan eigenlijk. Gebakken uien veroorzaken vaak veel winderigheid. En dat levert ‘lawaai’ op.”

Op de website spinazieacademie.nl staat een andere uitleg:
“Vleesloze jus heette lawaaisaus. Het had niets om het lijf, maar het bruiste enorm in de pan. Hoe maakte je lawaaisaus? Je smolt een klontje margarine in de pan en liet dat bruinworden. Dan roerde je er een lepel bloem doorheen, zorgde dat dit wel bruin werd en gaar, maar niet ging klonteren. Daarna goot je er een plens koud water bij. Dat bruiste enorm, vandaar het woord ‘lawaaisaus’. Weer heel goed roeren en dan had je ‘jus’.”

Exodus 72

E

Er was een tijd dat de staat Israël op grote sympathie kon rekenen van de Nederlandse bevolking. Begin jaren ’70 werden acties gehouden om Joden uit de Sovjet-Unie naar Israël te halen. Geen duizenden, maar vele tienduizenden. De Joden werden onderdrukt in de Sovjet-Unie en wilden graag het land verlaten. Maar de opvang van zo’n grote groep kostte geld. Meer geld dan Israël kon ophoesten.

Om toch de benodigde financiën bijeen te schrapen, had de Joodse staat bedacht om ‘bonds’ uit te geven. In het Nederlands: obligaties.
In dit geval waren de bonds leningen aan de Israëlische overheid. In ruil voor het uitlenen van geld kreeg je tijdens de looptijd van de lening (15 jaar) vier procent rente en aan het eind kreeg je de hoofdsom terug. Of de rente werd voor je gespaard en dan kreeg je na 15 jaar het bedrag in een keer terug.

In het Joods Weekblad werd volop reclame gemaakt voor de State of Israël Bonds: in Nederland wilde men voor 10 miljoen gulden aan obligaties uitgeven. Deze actie kreeg de naam Exodus 72. Na Nederland zouden zeven andere Europese landen volgen, want Israël had wel anderhalf miljard gulden nodig. De actie sloeg aan: veel niet-joodse Nederlanders gaven hun spaargeld, een gepensioneerde schipper gaf de opbrengst van de verkoop van zijn boot, in een Fries gezin werd een winter lang niet gerookt, niet gesnoept en geen bioscoop bezocht om geld te sparen zodat obligaties konden worden gekocht en een Utrechtse grootmoeder kocht obligaties voor haar 27 kleinkinderen als herinnering aan haar.

En in Hardenberg? In Hardenberg verscheen een ingezonden artikel in Het Noord-Oosten namens het Comité van aanbeveling Exodus 72. In het artikel werd uitgelegd wat de actie was en waarom het belangrijk was obligaties te kopen. In het comité zaten Joodse Hardenbergers als Herman Heilbron en zijn vrouw Gerda Meijer, predikanten als dominee Loor, dominee van Rhijn en pastoor Noordman, dierenarts Sinnema, huisarts Vasbinder plus lokale politici als burgemeester Van Splunder en de raadsleden Berenst (GPV), Gritter (PvdA) en Merjenburgh (ARP).

Bij de foto:
Ook in de jaren na de Exodus-actie bleef Nederland zich bekommeren om de Sovjet-Joden. In 1982 kreeg minister Max van der Stoel een doos met 800.000 handtekeningen, met het verzoek zich in te zetten voor de uittocht uit de Sovjet-Unie naar Israël. Pas na de val van de Muur in 1989 konden de Joden vrij vertrekken, zodat Israël nog meer geld nodig had voor de opvang. Een actie als Exodus 72 werd hier niet meer gehouden.

Foto Rob Bogaerts/Anefo, Collectie Nationaal Archief ‘s-Gravenhage.

Recente berichten