De Doleantie was gekomen; en zij was gekomen met storm en onweer in Oostloorn. Dat was iets zeer vreemds geweest. Het was eigenlijk niets voor die soort lieden geweest in die achterhoek van Overijsel, bij de Vecht, om zich tot een storm te laten opwinden. Naar hun aard had de Doleantie er een zeer kalm verloop moeten hebben. Maar zoo was het niet gegaan. Later was het dan ook een oorzaak van lange schaamte geweest, van weerszijden, bij de Hervormden en bij de Dolerenden.
Zij konden er nimmer goed overheen, dat zij zich hadden laten meeslepen een tijd lang door hartstocht, zij, die zoo wellevend altijd hun hartstochten tegenover elkander wisten in toom te houden.
Toen de storm over was, en de Dolerende Kerk er voor goed was gevestigd, konden de mensen van beide kanten elkander in den eersten tijd nog niet goed aanzien ; en dat was niet de vijandschap meer, maar dat was de schaamte; de vijandschap was al lang goed aan het overwaaien; maar de schaamte, die bleef veel langer. Geen van de beide partijen had schaamte over de daad, die zij beide begaan hadden, of over het beginsel, waar zij beide hardnekkig aan hadden vastgehouden; maar over dit schaamden zij zich, dat zij zich uit den wellevenden plooi hadden laten brengen in die dagen, en dat de zachtmoedige aard, die een erfstuk was onder de lieden van Oostloom, voor een tijd was weg geweest, en dat hun gemeente in die dagen volmaakt had geleken op andere gemeenten in Holland, die een andere opvatting van beschaving hadden dan zij.
Maar zó was de Doleantie gekomen: Dominee Senserff was er mede begonnen. Hij stond toen vier jaren in de gemeente. Hij was de opvolger geworden van den ouden dominee, die dood was. Het Synodale juk was hem te fel beginnen te knellen, en aan de ouderlingen en diakenen had hij het langzamerhand alles duidelijk gemaakt. En op de zondag vóór Oudjaar had hij van de kansel bekend gemaakt, dat hij en zijn kerkenraad in naam van de ganse gemeente zich hadden losgemaakt van dat Synodale juk, en dat zij met de ganse gemeente zich van dit ogenblik af weer plaatsten onder de kerkelijke organisatie van het jaar 1619.
Uit: Oostloorn – Siebold Ulfers